Weg met de blanke frisse klonen uniformiteit
Susanne Piët

Als adviseur en coach smaak je het genoegen om bij allerlei bedrijven en organisaties je waarnemingen te mogen doen. Als je voyeuristische trekken hebt kom je in dit vak volledig aan je trekken. Als buitenstaander zie je de dingen natuurlijk ook per definities anders dan de insiders. Insiders zullen bijvoorbeeld niet de hartverscheurende discrepanties ervaren tussen wat bedrijven in hun missies belijden en in wat zij laten uitvoeren.

Het schijnt nu in de mode te zijn om te gaan voor (ook zo’n uitdrukking moet kennelijk) diversificatie. Een beetje bedrijf met moed verkondigt al om een gevarieerd bestand van personeelsleden te willen nastreven. Dat klinkt mooi en eigentijds, we weten tenslotte allemaal dat onze maatschappij schittert van de verschillende kleuren, soorten, culturen, afkomsten, geloven et cetera. Hoera voor zulke bedrijven, zou ik willen aanmoedigen.

Helaas pindakaas echter: In de praktijk blijkt het de bedrijven meestal te gaan om de beperkte diversificatie in leeftijd. Ze hebben dan meteen opportunistisch een excuus in handen om de ouderen, vooral in het kader van een fusie, een reorganisatie of een afslanking, vaarwel te zeggen en that comes in handy, so to speak.

Er is overigens best iets te zeggen voor een grotere variaties in leeftijdsopbouw na de jaren waarin het bedrijfsbolwerk vast gemetseld zat met babyboomers. Als een natuurbos beter gedijt door een beleid ten gunste van gevarieerde generaties, te bereiken door het aanwijzen van toekomstbomen, het laten groeien of planten van jong spul, en het dunnen van andere bomen, is er met die aanpak volgens mij ook hoop voor een bedrijf, dat zijn personeelsbeleid zo aanpakt.

Zelf was ik alleen teleurgesteld omdat die bedrijven van blanke witte frisse aangepaste klonen mij een beetje begonnen tegen te staan. Te meer omdat ik als coach merk hoe zelfs nog jonge mensen erin verkommeren, gesmoord in de aanpassingspogingen. Zij zijn, zoals het lied zegt, zichzelf niet meer en eigenlijk nooit geweest. Mijn opdracht als coach is ze te inspireren, zodat zij binnenste buiten keren: ik hoop dat zij ophouden met zich zo zorgen te maken over zichzelf en zich zo afhankelijk te maken van het oordeel van anderen. Ik hoop vervolgens dat zij voortaan zich zorgen zullen maken over anderen en zullen varen op het oordeel over zichzelf.

Maar dat gaat niet eenvoudig. Zeker niet als je in het zogenaamd diversifiserende bedrijf zelf beoordeeld wordt, soms 360 graden, driemaal inde rondte van je hopsasa, niet op je sterk aanwezige, maar op je zwakkere competenties; je blinde vlekken worden het focus van je eigen unieke groei (in de richting van de uniforme bedrijfsperfectie dus, het volmaakte model voor iedereen). Het lijkt wel of het bedrijf nog steeds de Berend Boudewijn kwis speelt, waar de donkere stem aankondigt: ….En wat u niet hebt….

Mijn hoop is gevestigd op het vermogen van ieder mens om zichzelf en ieder ander te aanvaarden in wie hij juist wel is, zodat hij de persoonlijke talenten en krachten kan ontdekken, alsmede de bron. Zodat iedereen mag ontwikkelen waar hij goed in is, hoe motiverend en heerlijk immers, in plaats van eeuwig te moeten compenseren voor zwaktes, met alle irritaties en frustraties van dien.

De maatschappij kan echt niet zonder die houding, wil zij niet ten onder gaan. Als het dan allemaal niet in de scholen kan beginnen, hoopte ik van bedrijven op een impuls in de goede richting. Als je er goed over nadenkt weet je immers, zelfs als je redeneert uit eigenbelang, dat daar winst in zit.


Terug naar archief